WES IV Het recht op onderwijs stopt niet bij definitieve uitsluiting (De Standaard, 2026)
Bijgewerkt op: 7 jun
Dag lezer met ongetwijfeld een hart voor het onderwijs,
In het opiniestuk "Het recht op onderwijs stopt niet bij definitieve uitsluiting" benadrukt Vlaams kinderrechtencommissaris Caroline Vrijens dat ook leerlingen met complexe gedragsproblemen recht blijven hebben op onderwijs en begeleiding. Ze wijst erop dat uitsluiting het risico op schooluitval verhoogt en pleit voor een inclusieve aanpak, waarbij ingezet wordt op verbinding, preventie en samenwerking.
Als leerkracht in opleiding en maatschappelijk werker kan ik me sterk terugvinden in deze visie. Het idee dat elke leerling recht heeft op kansen en ondersteuning ligt ook voor mij aan de basis van goed onderwijs. Anderzijds merk ik in de praktijk hoe complex de realiteit is. Gedragsproblemen beperken zich zelden tot één leerling, maar hebben een impact op de volledige klasgroep. Wanneer het gedrag van één leerling escaleert, komt het leren van anderen onder druk te staan en verschuift de focus van lesgeven naar crisisbeheer. Als leerkracht voel je dan hoe moeilijk het wordt om zowel zorg te dragen voor het individu als voor de groep van leerlingen.
Vanuit die ervaring begrijp ik waarom scholen kiezen om een leerling, al dan niet tijdelijk, uit de klasgroep te verwijderen. Het kan rust brengen, ruimte creëren en andere leerlingen opnieuw kansen geven om tot leren te komen. Toch voelt dit vaak dubbel. De leerling verdwijnt weliswaar uit het gezichtsveld, maar blijft de verantwoordelijkheid van de school. In de praktijk zie ik dat deze leerlingen vaak individuele opdrachten verwerken, thuis of in een apart ruimte op school. Dat lijkt op korte termijn een oplossing te bieden, maar geeft zelden een antwoord op de onderliggende problematiek.
Factoren zoals de thuissituatie, psychisch welzijn of kansarmoede liggen grotendeels buiten het bereik van de school. Ondanks inspanningen om samen te werken met ouders en hulpverlening, botsen scholen hier soms op hun grenzen. Dat maakt meteen duidelijk dat onderwijs deze problematiek niet alleen kan dragen.
Tegen die achtergrond voelt het voorstel om leerlingen structureel samen te brengen in aparte 'gedragsscholen' moeilijk te verantwoorden. Hoewel het vanuit organisatie en rust in scholen begrijpelijk lijkt, roept het vragen op rond stigmatisering. Het dreigt leerlingen verder van het regulier onderwijs te verwijderen, terwijl inclusie net werkt vanuit het idee dat verschillen binnen de klas een plaats moeten krijgen.
Tegelijk geloof ik dat grenzen stellen noodzakelijk blijft. In sommige situaties kan een uitsluiting onvermijdelijk zijn, bijvoorbeeld om de veiligheid en het leerklimaat in de klas te bewaken. Het is dan niet alleen een maatregel ten aanzien van één leerling, maar ook een signaal naar de groep en een noodzakelijke bescherming voor leerkrachten die onder grote druk staan. Vanuit mijn ervaring blijkt hoe essentieel het is dat leerkrachten zich gesteund voelen en autonomie ervaren in het bewaken van hun grenzen.
Voor mij ligt de uitdaging in het vinden van een evenwicht. Ik geloof in een warm zorgbeleid dat inzet op verbinding, maar ook duidelijkheid durft te bieden. Dat betekent niet dat alles moet kunnen, maar dat we blijven zoeken naar manieren om leerlingen zo lang mogelijk aan boord te houden op een zinvolle manier, zonder de draagkracht van leerkrachten en klasgroepen uit het oog te verliezen.
Warme groet,
Goele

Bronnen






Opmerkingen