Stoer doen, minder scoren: waarom jongens zichzelf in de weg zitten
- r1112477
- 26 dec 2025
- 3 minuten om te lezen

De leraarskamer. Ik herinner me die deur nog goed uit mijn tijd als leerling: de deur waarvoor iedereen met een zekere spanning stond te wachten. Wanneer ze openzwaaide, stond je oog in oog met een vaak licht geïrriteerde leerkracht, wachtend op je vraag.
Nu ik aan de andere kant van de deur sta, heeft de onrust plaatsgemaakt voor nieuwsgierigheid en enthousiasme. De ruimte gonst van overleg en haastig gemaakte notities, van afspraken die worden vastgelegd en lessen die vorm krijgen. Er wordt stoom afgeblazen en gezucht, maar je hoort ook vaak gelach. Achter al dat geroezemoes voelde ik meteen iets dat altijd aanwezig is. Of iemand nu even pauzeert met een kop koffie of verdiept is in voorbereidingen, iedereen kijkt dezelfde richting uit: onze leerlingen. Stuk voor stuk willen alle leerkrachten hen zien slagen en groeien. Ze doen er alles aan om de leerlingen voor te bereiden op een toekomst voorbij het klaslokaal en de school.
Uit de bevraging van Knack bij vijftig leerkrachten vorig jaar bleek dat ze het grotendeels eens waren: wanneer jongens minder goed presteren op school, is dat zelden te wijten aan hun intelligentie of cognitieve mogelijkheden. Het heeft vaker te maken met een gebrek aan maturiteit waar jongens dikwijls een aantal stappen achterlopen in hun persoonlijke ontwikkeling en groei in vergelijking met meisjes. Daarnaast blijken jongens ook veel meer dan meisjes belang te hechten aan imago en zijn ze gevoeliger voor groepsdruk.
Uit mijn ervaringen op school lijkt het er inderdaad effectief op dat de profileringsdrang van jongens in klassen met hoofdzakelijk jongens groter is dan wanneer er meer meisjes in de groep zitten. In een klas waar het aandeel jongens lager ligt, daar merk ik dat ze veel meer opgaan in de klas en minder de nood voelen om op te vallen tijdens de lessen. Natuurlijk kun je niet voorbij gaan aan het feit dat er overwegend meer jongens in B-stroom klassen zitten waar het simpelweg minder eenvoudig is om heterogene groepen te maken.
Een derde factor in het verschil tussen jongens en meisjes is hun reactie op competitie — en die kunnen we gebruiken om jongens meer bij de les te betrekken. Dat heb ik gemerkt tijdens de les maatschappelijke vorming toen de leerkracht in het kader van lessen met als thema handelsgoederen- reclame een Kahootquiz deed met logo's van profitondernemingen. Ook de jongens waren geconcentreerd en wilden graag zo veel mogelijk logo's raden. Om de competitiedrang nog meer aan te wakkeren, noteerde de leerkracht de resultaten die de overige klassen hadden behaald. Hierbij maak ik mij wel de bedenking dat het een dunne lijn is: de onderlinge concurrentie mag niet zo groot worden dat leerlingen voorbijgaan aan het lesdoel en de focus uitsluitend ligt op winnen. Ook de mogelijkheid dat het de concurrentie escaleert en zo uitmondt in problemen op de speelplaats, is niet onbestaand.
Uit de getuigenissen in het artikel blijkt overigens dat ouders van jongens vaker afwijken van het studieadvies dat gegeven werd door de klassenraad. Ook in de loop van het schooljaar merk ik dat de lijn openhouden met ouders, erg belangrijk is. Bij leerlingen waar het moeilijk loopt — zowel wat betreft leren als houding — is ouderbetrokkenheid ontzettend belangrijk. Een school probeert een kader te bieden en handvaten aan te reiken, die in een ideale wereld ondersteund en verdergezet worden
door ouders in de thuissituatie. Wanneer er een discrepantie bestaat tussen beide, blijken de inspanningen een druppel op een hete plaat en verdwijnen de resultaten van de inspanningen van de school als sneeuw voor de zon. Ik zie dat er op dat vlak grote verschillen zijn tussen scholen en dat dit gekoppeld is aan het pedagogische project van de school. Voor mij persoonlijk is dit wel een aspect dat ik meeneem naar mijn toekomstige praktijk als leerkracht.
Het laatste thema dat vaak terugkeert — en ik ook om persoonlijke redenen wil aanraken — gaat over leerlingen die worstelen in het klaslokaal. Onrust en beweeglijkheid, die vaak leiden tot een diagnose van ADHD, maar ook ADD, dyslexie, dyscalculie, dysorthografie, enzovoort, zijn drempels die het leren bemoeilijken. Vaak zijn ze opvallender bij jongens en worden ze eerder vastgesteld, maar hun impact is groot en vraagt van iedereen ontzettend veel inspanningen. Het is schrijnend om te zien hoe deze leerlingen soms in richtingen verzeild geraken die niet bij hen passen, waarin hun talenten niet volledig tot bloei komen. Hier succesvol mee omgaan vraagt een samenspel van steun: de school die begeleidt, ouders die deze aanpak ondersteunen en zelf inspanningen leveren om thuis extra hulp te bieden en het kind dat actief mee op zoek gaat naar wat werkt. Wanneer één van deze pijlers ontbreekt, loopt de kans van slagen gevaar. En dat is jammer, want zoveel jongeren dragen deze uitdagingen met hen mee, en verdienen alle mogelijkheden om hun capaciteiten te ontwikkelen.






Dag Goele,
Een mooie keuze van studie en een nog mooiere reflectie. Het hedendaags schoolssysteem is geënt in de Pruissische wijze van doceren. Pruissen stond vroeger bekend als een leger met een staat en was de natie die de Duitse landschap wist te verenigen. Hierbij was het doel om gedisciplineerde werkers - potentiele soldaten te vormen. De bel, het luisteren en opnemen van informatie zonder tegenspraak of kritisch denken, de strikte structuur... allen kenmerken die de dag van vandaag terug te vinden. Nog absurder is de verwachting dat jonge mannen 7 tot 8 uur stil zitten op een bank. Wanneer dit een probleem vormt, niet voor de student maar het schoolsysteem, geven we hen aangepaste medicatie. Wat ik heb gemerk…